Utrecht,
19
mei
2016
|
18:09
Europe/Amsterdam

Fluctuerende aandacht zorgt voor wegvallen kennis en capaciteit

Universiteit Utrecht evalueert Nederlandse contraterrorisme-strategie

Samenvatting

De Universiteit Utrecht heeft, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Nederlandse contraterrorisme-beleid tussen 2011 en 2015 geëvalueerd. De opzet en uitvoering van het Nederlandse beleid, een combinatie van preventieve en repressieve maatregelen, biedt in potentie een goede basis voor een krachtig interventievermogen tegen dreigingen. In tijden van een minder zichtbare dreiging en minder politieke aandacht, zoals tot 2013 het geval was, lekken de benodigde capaciteit, contacten en kennis echter weg. De veiligheids- en sociaalgerichte partners die samen moeten werken drijven dan uit elkaar. Wanneer de dreiging weer zichtbaar wordt bouwen deze partners wel een persoonsgerichte maatwerkaanpak op, maar dat vraagt opbouwtijd. Voor de toekomstige strategie adviseert de universiteit dan ook de benodigde aandacht, capaciteit en kennis te borgen, ook wanneer de dreiging weer afneemt.

Contraterrorisme-strategie 2011-2015

De contraterrorisme-strategie voor 2011-2015 is opgesteld naar aanleiding van een eerdere evaluatie van de Nederlandse contraterrorisme-maatregelen tussen 2001-2010. De strategie moest een overzicht bieden van alle maatregelen en een integrale aanpak borgen.

De strategie zet in op een brede benadering van terrorisme door preventie en repressie, door middel van een integrale samenwerking van lokale en landelijke partners. Een grote groep van partners binnen en buiten de overheid heeft hierbij een rol in de uitvoering van de strategie.

Evaluatie

Terrorisme is een complex fenomeen, met weinig eenduidige inzichten over de oorzaken. Deze complexiteit vertaalt zich ook naar het (wetenschappelijk) vaststellen van de effecten van beleid dat zich richt op het voorkomen en tegengaan van terrorisme. Het doel van de evaluatie is om inzichtelijk te maken welke bijdrage de strategie 2011-2015 heeft geleverd aan het verminderen van het risico op aanslagen, het verminderen van de vrees voor aanslagen en het beperken van mogelijke schade na aanslagen. Aan de hand van literatuurstudie en interviews met betrokken landelijke en lokale partijen, beoordeelt de evaluatie het gezamenlijke interventievermogen van de betrokken overheidspartners. De evaluatie levert aandachtspunten op voor de contraterrorisme-strategie 2016-2020 die deze zomer bekend wordt gemaakt.

De brede benadering die het Nederlandse beleid kenmerkt is in potentie krachtig. Zo kan bijvoorbeeld de dreiging van radicaliserende personen worden beperkt door veiligheidsmaatregelen, terwijl betrokkenen vanuit sociaalgerichte interventies ook alternatieven aangeboden krijgen..

Na een periode van relatieve rust wordt het dreigingsniveau in maart 2013 verhoogd naar ‘substantieel’. Overheidspartners intensiveren het beleid en werken aan een integrale lokale aanpak. Hierbij worden sociaalgerichte maatregelen vanuit bijvoorbeeld jeugdzorg en Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling gecombineerd met veiligheidsgerichte maatregelen van bijvoorbeeld Nationale Politie of OM in een persoonsgericht maatwerkpakket van interventies.

Conclusies uit de evaluatie

  1. De kracht van het beleid is de inzet op preventie én repressie, de combinatie van veiligheids- én sociaalgerichte maatregelen. De breedte van de aanpak kan echter onbedoeld leiden tot selectieve aandacht binnen de verschillende maatregelen die voor handen zijn. Zo komt in tijden van plots toegenomen dreiging meer nadruk te liggen op veiligheidsgerichte maatregelen, waardoor sociaalgerichte maatregelen naar de achtergrond verdwijnen.
  2. Partners drijven van elkaar weg, vooral in tijden van verminderde aandacht. Veiligheidsgerichte spelers zetten dan nog redelijk actief in op het contraterrorisme-beleid, maar sociaalgerichte partners zien bij verminderde dreiging geen expliciete rol voor zichzelf in het beleid. Zonder hun bijdrage kan de brede benadering echter niet worden waargemaakt. Bij een zichtbare dreiging groeit hun rol dan ook weer.
  3. De capaciteit van landelijke en lokale partners fluctueert sterk in de onderzochte periode. Wanneer de dreiging niet zichtbaar is of minder politieke aandacht krijgt, lukt het niet om kennis, contacten en menskracht op peil te houden. Veel organisaties krijgen te maken met hervormingen, bezuinigingen en andere politieke prioriteiten. Na het zichtbaar worden van de dreiging krijgt contraterrorisme wel weer aandacht, maar moeten alle partners hun kennis, contacten en menskracht opnieuw uitbouwen.
  4. De coördinatie vanuit de NCTV in een complex beleidsveld wordt gewaardeerd, maar deze organisatie moet laveren tussen de eisen van verschillende partners en de wensen van de politiek. Partners stellen wel dat de NCTV beter moet balanceren tussen de genuanceerde praktijk en de nadruk op een cijfermatige, harde stijl van verantwoorden vanuit de politiek.

Het onderzoeksteam bestond uit: Prof. dr. Mirko Noordegraaf (projectleider), Scott Douglas DPhil (uitvoerend projectleider), Aline Bos MSc, Wouter Klem MA.

De onderzoekers zijn bijgestaan met adviezen vanuit diverse wetenschappelijke experts binnen de Universiteit Utrecht: Dr. Karin Geuijen, prof. dr. Beatrice de Graaf, prof. dr. Paul ’t Hart, prof. mr. dr. Ton Hol, prof. mr. dr. Henk Kummeling.

Rapport

Het volledige rapport, inclusief een managementsamenvatting, is openbaar.